Vereniging voor OverheidsManagement

De man op het balkon

door Ad Burger

De man stond het liefst op het balkon. Daar had hij het beste uitzicht over de straat. Daar kon hij nog een beetje zien wat de mensen bezig hield. Op die manier wist hij dat de meeste bewoners helemaal geen gebruik wilden maken van het zebrapad dat “ze” onlangs hadden aangelegd. Het was een mooi zebrapad, daar niet van, met een vaste hand op het asfalt gekalkt en voorzien van de allernieuwste computergestuurde verkeersregelinstallatie (“stoplicht” mocht kennelijk tegenwoordig ook al niet meer). Maar het was nog minder in trek dan een goede fles jenever op het jaarcongres van de Anonieme Alcoholisten, bedacht de man op het balkon.

Hij had het op voorhand trouwens kunnen voorspellen. Niemand die aan de overkant van de straat bij de Aldi boodschappen wilde doen, had het er voor over om een halve kilometer om te lopen. Zelfs niet als hun eigen verkeersveiligheid erbij gebaat was. Ze hadden het ding gewoon in één rechte lijn moeten trekken van het verzorgingstehuis naar de supermarkt. Maar dat was kennelijk in strijd met de richtlijnen van het ministerie. Alhoewel hij in de wandelgangen ook had gehoord dat die gasten van financiën er tegen waren. Had iets te maken met een onrendabele top of zoiets. Nou, als er één top onrendabel was, dan was het wel de top van zijn eigen organisaties. Allemaal doorgestudeerd in de me-zus-en-me-zo-kunde, maar logisch kunnen nadenken had bij al die gasten kennelijk niet tot het curriculum gehoord.

Of gewoon aan de mensen vragen wat ze nu het liefst wilden. Hij had het ooit voorgesteld tijdens een vergadering: “Waarom vragen we de mensen in de straat niet gewoon naar hun mening. Dan gaan we ze enquêteren. Of we laten ze zelf een ontwerp maken”, had hij geopperd. De man op het balkon was nog net niet de balustrade over geknikkerd. Luisteren naar de mensen in de straat was wel het stomste wat je kon doen, want die hadden nergens verstand van. Die waren, zoals die flapdrol van personeelszaken het altijd zo fraai uitdrukte, onbewust onbekwaam. Trouwens, het bezigen van de term flapdrol draagt bepaald niet bij aan de goede collegiale verhoudingen tussen de beleidsafdeling en de vertegenwoordigers van de uitvoerende organisatie. En wat te denken van het “primaat van de politiek”, dat zou ook ernstig ondermijnd worden als we de mensen in de straat maar lieten doen waar ze zelf zin in hadden. Was getekend: die aangeklede aap van bestuurszaken. En, o ja, aangeklede aap paste ook niet in het vocabulaire van een overheidsdienaar.

De man op het balkon had op het punt gestaan er de brui aan te geven. Niet dat hij van plan was geweest om, als daad van protest, van drie hoog naar beneden te springen. Zo veel toewijding voor de publieke zaak had hij nu ook weer niet. Nee, hij zou gewoon op een mooie vrijdagmiddag bij zijn chef binnenlopen en hem vertellen dat-ie er geen zin meer in had. Dat-ie het er schoon genoeg van had om verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van allerlei plannen die vanachter het bureau werden verzonnen. Dat-ie niet langer aangesproken wilde worden door allerlei boze burgers die hij diep in zijn hart eigenlijk het grootste gelijk van de wereld moest geven.

Totdat er ineens een tweede man op het balkon was verschenen. Zijn eerste aanvechting was om er hem direct van af te sturen. Het was tenslotte zíjn balkon. Maar goed, je gloednieuwe baas zo maar wegsturen, dat deed je ook niet zo een-twee-drie. De nieuwkomer op het balkon wees op de voorbijgangers, die zo’n zeven meter onder hen passeerden. “Kijk: de mensen in de straat. Daar zouden we eens iets mee moeten doen”. 

 
You are here: Home