Een kwestie van goed werkgeverschap
Jan Willem Weck
Het is een cyclisch ritueel. In verkiezingstijd hakken veel politici stevig in op het ambtelijk apparaat. Worden zij benoemd tot minister of staatssecretaris, dan ervaren zij de kwaliteit en loyaliteit van hun ambtenaren. Bij het afscheid tonen zij openlijk hun dankbaarheid en respect. Terwijl in de volgende verkiezingscampagne nieuwe potentiële bewindslieden alweer hebben aangekondigd dat zij het ambtelijk apparaat fors zullen aanpakken.
Ik heb die cyclus nu diverse malen meegemaakt. Het levert je als politicus stemmen op als je je in ferme bewoording uitlaat tégen bureaucratie en vóór bezuinigingen op de overheid. Dankzij die stemmen kom je mogelijk in de positie om actief iets bij te dragen aan de kwaliteit van die overheid. Pas op het moment dat je als minister of staatssecretaris aan de slag gaat, verandert je rol: dan ben je werkgever van duizenden ambtenaren. En een goed werkgever staat voor zijn mensen: omdat je op die manier de beste resultaten boekt. Maar daarna is er weer een verkiezingscampagne. Kan je partij het zich dan veroorloven om iets positiefs te zeggen over ambtenaren?
We kunnen ons als ambtenaren verzetten tegen alle negatieve beeldvorming door te roepen dat ‘iemand’ voor de ambtenaren moet opkomen. Maar ik betwijfel of we daar winst mee boeken. We hebben te maken met een tijdgeest waarin het uiten en aanwakkeren van onvrede veel ruimte krijgt. Ieder gezichtsloos instituut dat impact heeft op het dagelijkse leven van velen is een makkelijke kop van jut. En dat zal zeker niet minder worden als de overheid kleiner wordt en taken moet afstoten.
Mooi voorbeeld is een bericht uit de Telegraaf, van 19 augustus 2010:
“Bewoners van de Violiervaart in Zoetermeer zijn verbijsterd over een uitspraak van een ambtenaar van hun gemeente. Na een melding van een attente burger dat de paaltjes op het fietspad hoognodig een lik verf nodig hadden, kreeg de vrouw te horen dat ze zelf maar de kwast ter hand moest nemen.” … “Omdat de verf van de betonnen paaltjes is afgebladderd, zijn ze erbarmelijk slecht te zien. De obstakels hebben dezelfde kleur als de grijze stoeptegels aangenomen. Bewoners moeten daarom elke dag lijdzaam toezien hoe bromfietsers en fietsers slechts ternauwernood een botsing kunnen voorkomen. Het zorgt voor levensgevaarlijke capriolen.”
Op zich geen bericht met grote nieuwswaarde. Toch bevat het in vorm en inhoud veel van de beeldvorming waar de overheid mee te maken heeft.
Let op de toonzetting: “een attente burger”, “lijdzaam toezien” en “levensgevaarlijke capriolen”. De foto naast het bericht toont een man op een scootmobiel die het gewraakte paaltje net passeert. In zo’n sfeertekening kan de verantwoordelijke wijkmanager natuurlijk nog maar op één manier positief in beeld komen: door direct ervoor te zorgen – liefst in eigen persoon – dat het betonnen paaltje geverfd wordt. Maar zou die actie dan ook nieuwswaarde hebben gehad voor de Telegraaf? “Ambtenaar knapt fietspaaltje op”….?
Het bericht zegt ook veel over de verwachtingen die burgers hebben van de overheid. Het geval wilde – zo liet de wijkmanager in zijn antwoord weten – dat het verven van de paaltjes niet tot het pakket van de gemeente behoort. Dat had de gemeenteraad ooit zo bepaald. “Maar wij staan altijd open voor goede ideeën van de wijkbewoners,” was zijn reactie geweest. “Indien noodzakelijk lenen wij u zelfs de kwasten en kunt u de verf ophalen bij de wijkpost.” Een stap naar een nieuw evenwicht tussen overheid en samenleving? Er staat ons wat dat betreft een interessante zoektocht te wachten de komende jaren: als de overheid kleiner moet worden, dan heeft dat gevolgen voor het takenpakket en voor de manier van werken. Zal dat dan een hoos van incidenten en negatieve beeldvorming gaan opleveren?
Het zou beslist veel energie genereren als politici en andere gezagsdragers zich in de media vaker positief zouden uitlaten over ambtenaren. Het is alleen niet iets waar we ons functioneren en ons werkplezier afhankelijk van moeten maken. Het beste antwoord op negatieve beeldvorming is uitstekend werk leveren en ervoor zorgen dat directe betrokkenen – burgers én politici – dat ook zo ervaren. Dan brengen we op het niveau van de persoonlijke ervaringen verhalen de wereld in die de opgeblazen onvrede in de media wat ontkrachten.
Dat maakt de kwestie van beeldvorming in essentie een kwestie van goed werkgeverschap: goede mensen in huis halen én houden om met hen nieuwe manieren van werken te ontwikkelen waarin de relatie met burgers centraal staat. Dan komen we pas écht op voor onszelf. Vereiste hiervoor is dat we onze mensen de ruimte bieden voor een betekenisvolle en gevarieerde loopbaan: opdat ze met plezier aan het werk blijven én gericht hun talenten ontwikkelen. Zijn we daar als krimpende overheid toe in staat?
Jan Willem Weck is Directeur-generaal voor de Algemene Bestuursdienst
Oei