Vereniging voor OverheidsManagement

Een parabel vanuit de serre

door Jacqueline Hendrikx

De ik-figuur uit deze paragraaf is Jim, de collega van Egbert.

Het is rumoerig op de gang, de aannemer, door mijn leidinggevende ingehuurd, laat al drie weken lang onafgebroken werklui door het huis lopen. ’n Grote verbouwing, alles gaat op de schop, het moet anders, beter, hoor ik van het management. Of het allemaal zo slecht was, ik weet niet hoor en vraag het me af. Egbert, heeft een dagje vrij en mij, Jim gevraagd zijn dagboek vandaag bij te houden. Dat doe ik met plezier met ‘n parabel vanuit de serre.

Het liefst zit ik hier, met veel zicht op wat er allemaal om en rond het huis gebeurt. En dus kom ik, als ik hier al kom, lekker vroeg, voor een plek in de serre. Daar waar ik in contact ben met mijn collega’s in huis maar vooral met de mensen buiten dit gebouw.

Voor mijn werk als ambtenaar is dat top. In deze serre heb ik aan drie zijden uitzicht op de stad, het park met zijn singel en de daarachter gelegen molen, de straat en de oprit. Voor zover ik aanwezig ben, kijk ik vanuit mijn bureaustoel naar alles wat er voor en naast me gebeurt. ´s Morgens vroeg zie ik van links de bewoners van nabij gelegen woonbuurt over de singel naar hun werk vertrekken. Drie tot vier poolende vrouwen en mannen per auto, acht tot twaalf mensen in een lokaal opgezet bussysteem tussen de woonwijk en het station. Sommige, zoals Leo, zwaaien, we kennen elkaar. Als hij vandaag zwaait dan zie ik hem de rest van de week zeker niet, want dan werkt hij vanuit huis, net zoals ik dat 2 dagen per week doe. Morgen gaat zijn wederhelft, net als de mijne, de deur uit. Zo is er altijd iemand thuis voor opvang van de kinderen. Ik kan je niet zeggen hoe blij ik ben met deze oplossing van het crèche- en fileprobleem van enkele jaren terug. Je gaat maximaal 3 dagen per week de deur uit, kantoren gaan vroeg, scholieren gaan later.

Het busje met collega’s verschijnt klokslag half acht op de oprit, 7 mensen zitten erin. Er stappen twee mensen uit, mijn collega’s zwaaien vrolijk en roepen goede morgen door het openstaande raam. De chauffeur, Jan, zwaait ook en rijdt door naar verderop gelegen kantoren. Een halfuur later ga ik Jan weer zien. Op dat moment gaat hij onderweg met de tieners uit de woonwijk achter de kantoren links. Een deel brengt hij naar het station, een deel naar aan de zuidrand van de stad gelegen campus waar zij in opleiding zijn.

Daarna word het rustiger en kan ik op mijn gemak door met mijn beleidsnotitie voor de staatssecretaris.
Om tien uur tikt Lodewijk, de tuinman op de ruit. Zijn vrouw heeft cake gebakken. Of ik ook een plak wil, lekker! Ik haal snel twee bakken verse koffie voor ons, cappuccino voor Lodewijk met verse opgeklopte melk en een straf kopje espresso voor mij. We wisselen cake, koffie en de laatste nieuwtjes uit. Lodewijk wil het gazon maaien vandaag ‘tenzij het mij te zeer stoort, het duurt een uurtje’ zegt hij. ‘Prima’, zeg ik, ‘dat geeft me de gelegenheid om even achter mijn bureau vandaan te gaan en een paar collega’s te spreken over de notitie over gehandicapte jongeren waar ik aan werk’. Lodewijk’s interesse is gewekt, hij heeft een neefje die lichamelijk gehandicapt is. Al gauw raken we in een geanimeerd gesprek en krijg ik allerhande nieuwe ingangen en suggesties voor mijn notitie. Hij kent ook nog een tweetal belangenorganisaties waar ik mijn licht op kan steken. Ik besluit ze vanmiddag nog te bellen, ondanks dat ik morgen al een gesprek in mijn agenda heb staan met een andere vereniging en een tweetal bijna volwassen jongeren.
De koffie is helaas op …..

de moraal van dit verhaal:
Sta als ambtenaar regelmatig stil en verwonder je over de hoeveelheid hectiek in ons huis alsof het de eerste hulp afdeling van een ziekenhuis betreft. Ga in gesprek met eindgebruiker waarvoor je aan het werk bent.

 
You are here: Home