Vereniging voor OverheidsManagement

Het gezicht van de Staat

door Jaap van der Spek en Paul Frissen

Egbert Beter staat in de tuin. Hij woont aan de voet van een berg, waarop het slot staat Het wordt al avond als K., hoofdpersoon uit ‘Das Schloss’ van Franz Kafka, voorbij komt.

De ambtenaar Egbert Beter keek omhoog. Hij zag het slot daarboven duidelijk aftekenen tegen de heldere lucht, nog meer geaccentueerd door een dunne laag sneeuw. Aan de voet van de berg begon de sneeuw al te smelten. Het pad, dat maanden bevroren was geweest, werd op sommige plaatsen modderig.
Toen Egbert de weg verder inspecteerde op natte plekken -  betrouwbare voorspellers van de lente - zag hij een kleine gestalte naderen. De persoon had een onbemiddeld uiterlijk en droeg een zwarte hoed. Langzaam naderde hij het huis.

Egbert groette de vreemde gast. De man knikte terug, hield halt en keek om zich heen. Even bewogen zijn ogen langs de tuin, maar toen zijn blik de toppen van de berg bereikte, bleef hij naar boven staren. ‘Zoekt u het slot, mijnheer?’ vroeg Egbert. De man knikte.
 
Het slot herbergde de bestuurders van het dorp. Het was geen oude ridderburcht, noch een nieuw lustslot. Het was een uitgebreid complex dat bestond uit gebouwen van meer verdiepingen en veel naast elkaar staande lagere bouwsels met allerlei uitbreidingen. Als je niet wist dat het een slot was, kon het voor een stadje doorgaan. Boven alle bouwsels wapperden witte vlaggen.

‘Ons slot heeft een nieuw gezicht,’ zei Egbert, een beetje trots. ‘Eén gezicht. Voorheen stond op elk van die gebouwen een andere vlag, nu zijn ze allemaal gelijk.’

‘Waarom had uw slot zoveel gezichten?’, vroeg de man, die zich als K. voorstelde. ‘Ziet u al die kleine gebouwen?’ Egbert wees omhoog. ‘Dat zijn er de laatste jaren steeds meer geworden. Ons dorp is gegroeid, zijn problemen veranderden en werden veelzijdiger. Daarom waren er meer en verschillende bestuurders nodig. Maatwerk heette dat. Ieder individueel probleem een eigen bestuurder. Ieder gebouwtje een eigen vlag.’

‘Waarom,’ vroeg K., ‘moest daar een einde aan komen?’
‘Onze bestuurders werden onzichtbaar; de dorpelingen zagen door de bomen het bos niet meer.’ Egbert wees naar zijn buren. ‘De bestuurders en hun bouwsels gingen lijken op de dorpsbewoners en hun problemen. De afstand werd steeds kleiner. Het slot veranderde, zo leek het, in een spiegel. Daarin zie je alleen jezelf, nooit diegene die de spiegel ophoudt.’
K. keek bedenkelijk omhoog. ‘Ik geloof dat hier twee dingen onderscheiden moeten worden. Ten eerste namelijk wat zich binnen het slot met zijn bestuurders en ambtenaren afspeelt, en tweede de dorpsbewoners als levende personen, die buiten het ambtelijk apparaat staan. Tussen het slot en mij ligt de kloof van de slotgracht.’

‘Precies,’ antwoordde Egbert Beter, licht verheugd, omdat de vreemdeling het leek te begrijpen. ‘Het slot is niet als de burger en de burger is niet als het slot. Dat verschil moet duidelijk zijn en precies dat doen die vlaggen. Ze markeren het verschil.’
Samen keken K. en Egbert Beter naar het slot. Door de hoogte en afstand was het Slot zichtbaar en herkenbaar. Omdat alle vlaggen in dezelfde richting wapperden, bezat het bovendien een zekere gestrengheid.
‘Maar’, vroeg K. aarzelend, ‘moet de overheid dan niet op de burger lijken? De overheid representeert de volkswil en is daarvan toch een afspiegeling?’

‘Jazeker,’ antwoordde Egbert, ‘maar dat maakt dorpelingen en de heren van het slot nog niet eenzelfde soort mens. Dat zou wat zijn. Als die illusie zich van dorpelingen meester maakt, zouden zij veel te hoge verwachtingen krijgen van het slot. Waarom zouden ze dan accepteren dat de heren in hun wijsheid soms anders beschikken?’

‘Maar,’ vervolgde K., ‘betekent het feit dat uw overheid niet meer op de burger lijkt, ook dat de burger niet op de overheid hoeft te lijken?’

‘Nee, dat niet’, zo moest Egbert peinzend erkennen. ‘Het slot krijgt nu één toegangsweg. Alle dorpelingen kunnen via dezelfde route omhoog. Ook praten met het slot wordt gemakkelijker. De vragen zijn voor alle dorpelingen gelijk en staan op een formulier dat ze hebben ontvangen.’

‘Dan moet ik meteen met de heren spreken,’ zei K. ‘Als ik een werkelijk persoon ben, en buiten het ambtelijke apparaat sta, hoe kan ik dan één burger worden. Of bedenkt het slot voortaan wie ik ben? Schept het slot de burger naar zijn evenbeeld? Dan verdwijnt mijn identiteit en begint de nabootsing.’

Egbert zuchtte. Het nieuwe gezicht van de staat, dat ene gezicht, paste bij het streven naar efficiëntie, waar de Heren zo vaak over spraken de laatste tijd. En over de modelburger, die verantwoordelijk was en niet alleen rechten, maar vooral ook plichten kende.

Hij wilde K. die welluidende boodschap meegeven. Maar die maakte aanstalten naar het slot te gaan. Egbert knikte vriendelijk en keek de zonderlinge man na tot hij uit het zicht verdween.
Pas velen maanden later vernam hij dat K. het slot nooit had bereikt.

 
You are here: Home