Vereniging voor OverheidsManagement

Het kippenhok

door Jan Wibier

Toen ik deze dagen in het voorbijgaan een blik wierp op de entresol van ons Provins-jehûs, viel mijn oog op een broedende scholekster, een strandkievit, of strânljip zo-als wij Friezen hem noemen. Om efficiencyredenen zou je zo’n beest onmiddellijk moeten verwijderen. Niet dat het daar materiële schade aanricht, maar sinds het daar tussen de kiezels en vier steile wanden zit, heeft het heel wat directe uren van natuurminnende ambtenaren in indirecte doen verkeren. Friezen staan bekend om hun liefde voor de kievit, al wordt die door niet-Friezen niet altijd goed begrepen. Het raapseizoen is al voorbij, dus laten we het beest rustig verder broeden. Vanuit ambtelijk managementoogpunt misschien wat aanvechtbaar maar politiek correct.

Ik denk dat dit beeld nog te vers in mijn geheugen stond om het te negeren toen ik toe was aan het schrijven van dit verhaal. Want onwillekeurig bracht mij dat op het beeld van het Rijk als broedende kip.

In mijn jeugd hadden wij thuis een kippenhok. Het stond met de open zijde van het huis af, gericht naar de tuin. Het meest herinner ik me dan ook nog het gekakel. Niet alle kippen hadden evenveel sympathie voor elkaar, dus er was altijd wel iets mis en de ernst van het conflict kon je afmeten aan de heftigheid van het gekakel. Het kip-penrijk verschilt in dit opzicht niet van elk willekeurig ander Rijk. Dagelijks oogstte ik de eieren. Met ware doodsverachting betrad ik dan het rijk der kippen en met enige handigheid kwam ik daar weer ongeschonden uit, met de eieren. Hier gaat de verge-lijking met ‘het’ Rijk wat mank. En ik kan het weten, want ik ken beide kanten van de vergelijking. Je komt van het Rijk nogal eens zonder eieren terug, zeker in tijden van recessie en als je van de provincie bent.

Het is dan ook niet zozeer de vergelijking met een leggende kip die zich aan mij op-drong, maar, zoals ik al zei, die met een broedende kip. En in het bijzonder die met een broedende kip in ons kippenhok thuis. Wij hadden namelijk wel heel wat kippen, maar geen haan. Dat er dan af en toe een kip niet meer van het nest te slaan was en tegelijkertijd allerlei ingehouden pruttelende geluiden maakte, was wat merkwaardig. Aanvankelijk dacht ik dat er een mirakel te gebeuren stond. Maar naarmate de tijd verstreek begon ik daar minder in te geloven. En toen iemand die daar verstand van had mij verzekerde dat de broedtijd van een kip zo’n drie weken beloopt, wist ik het zeker: ik word belazerd. En inderdaad. Toen de kip zich, ruim na een nog enigszins aanvaardbare termijn, van haar nest verhief, lag daar slechts één ei, een kalkei zoals we dat noemden. Zo’n fopei waar je de kip de weg mee wijst en waar ik mijn school-vriendje wel eens per ongeluk een gat mee in zijn hoofd had gegooid. Verder heb je er niets aan. En het was er zelfs al eerder dan de kip.

Zoiets zal me in de grote mensen wereld niet gebeuren, dacht ik. Ik heb dat een hele tijd volgehouden, totdat ik een baan vond bij de overheid. En zelfs toen duurde het nog een tijd. Pas toen ik als provinciesecretaris met het Rijk te maken kreeg, had ik af en toe dat oude gevoel weer. Ik dacht dat ik het verwerkt had, maar dat valt te-gen. Waarom doen ze daar bij het Rijk niet gewoon? Niet kakelen maar eieren leg-gen! En als er gebroed moet worden, dan niet langer dan drie weken. En geen fopei-eren uit eigen doos graag. Een ordentelijk kippenhok dus, bij het huis van Egbert Beter.

Als onze strandkievit mij ook belazert, trek ik mij terug uit de overheidsdienst.

 
You are here: Home