Het scheve beeld van een elite
Ank Bijleveld
In de jaren dertig werd er door een aantal invloedrijke filosofen met angst gekeken naar de groeiende invloed van wat zij zagen als, laten we het maar eerlijk zeggen, de domme massa’s.
Een dergelijke stemming vindt je ook vandaag bij sommige opiniemakers. Ondanks de enorme mogelijkheden om informatie te vinden, groeit het aantal oppervlakkige consumenten van info-tainment en pseudo-opinies en neemt de verwarring tussen meningsuiting en schelden toe. Opnieuw: de massa tegenover de elite.
Het is een zwartgallig beeld maar tot op zekere hoogte herkenbaar. Zeker wanneer het gaat om het ongenuanceerde schelden op overheidsdienaren en het ongeïnformeerd er op in willen hakken, is het moeilijk dat soort beelden te vermijden.
Dat gezegd hebbend kan niet ontkend worden dat het verkleinen van de overheid en het efficiënter werken daarvan een permanente noodzaak is. Zeker in tijden van financiële terughoudendheid moeten er keuzen worden gemaakt en zullen er ook taken moeten verdwijnen die op zich nuttig zijn en door aardige en competente mensen worden uitgevoerd.
De irritatie bij overheidsdienaren over een negatieve stemming moet dus gescheiden worden van een objectieve discussie over nut en noodzaak van taken en van de discussie over de mate waarin de overheid de zorgen van mensen mag of zelfs moet wegnemen. Dat zijn politieke discussies waarover ook politieke beslissingen moeten worden genomen.
De Nederlandse overheid is vergeleken met landen om ons heen bescheiden van omvang. De overheidsdienaren zijn integer en efficiënt. De nodeloze bureaucratie en administratieve lasten zijn zelden door ambtenaren opgelegd. Het zijn in tegendeel vaak de beperkingen waaronder zij moeten werken. Bij mijn pogingen om administratieve lasten te verkleinen heb ik veel enthousiasme juist van ambtenaren aangetroffen
Een grief die wel bij veel ambtenaren op ministeries bestaat is dat ze zich denigrerend bejegend voelen door een aantal politici maar dat dezelfde politici zich dagelijks bezighouden met het stellen van niet altijd even relevante vragen of het eisen van toezicht waar dat niet mogelijk is. En daarmee weer werk voor ambtenaren scheppen.
Ik zelf heb vaak te maken gehad met verzoeken dat de centrale overheid zou moeten ingrijpen vanwege al of niet vermeende misstanden bij een of alle gemeenten, zonder dat ik daar toe in staat zou zijn geweest. Wie waar woont in het huis van Thorbecke is niet altijd duidelijk.
Dat de beelden rond de overheid en de dienaren daarvan dus vaak niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn, is lastig en het hindert ook de mogelijkheden om effectief op te treden. Een slecht imago werkt niet mee bij pogingen om draagvlak te krijgen. Het is bovendien soms pijnlijk voor het personeel van de overheid.
Wat valt daar aan te doen?
Tot op zekere hoogte is deze situatie als een natuurgegeven. Liefde voor de overheid is niet te verwachten. Wantrouwen tegen overheidsmacht is vanzelfsprekend en zelfs een wezenskenmerk van de democratie.
Werkelijke misverstanden moeten natuurlijk bestreden worden maar daarbuiten moeten we mar accepteren dat overheidsdienaren in een glazen huis wonen en dat er soms een ruitje sneuvelt.
Wat daartegenover moet staan is het trotse zelfbewustzijn van de overheidsdienaar, het geloof in het eigen kunnen van de professional, de steun die de organisatie haar eigen mensen geeft. En daar komt de rol van de overheidsmanager op tafel.
Overheidsmanagers moeten zich staande houden in een hiërarchische organisatie en dat geeft hen vaak een gevoel van onzekerheid. Dat leidt er soms toe dat, ondanks politiek correcte uitspraken over openheid en betrokkenheid, angst, gebrek aan vertrouwen of zelfs achterdocht de managementtoon zet. Medewerkers worden hier niet door gemotiveerd.
De ambtenaren van de overheid moeten beseffen dat ze een bevoorrechte elite zijn die een sleutelrol speelt in het reilen en zeilen van de samenleving.
De leiders van de ambtenaren: het management moet beseffen dat hun rol niet is het in stand houden maar van de hiërarchie maar het sturen van de productie in de gewenste richting. Ambtenaren en managers moeten worden beoordeeld op resultaten en niet op de procedures.
Om een productieve sfeer te scheppen moet er ruimte zijn voor fouten. Maar het meest van al moeten managers hun medewerkers loyaal tegemoet treden. Zo ontstaat een esprit de corps en dat is het antwoord op ongeïnformeerde kleingeestigheid.
Ank Bijleveld-Schouten is Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties